- wetenswaardigheden
Lucas Oldenhuis Kymmell (1754 - 1825) zette de exploitatie van de zaagmolen voort, maar hij deelde sinds 1786 het risico met zijn broer Jan Wilmsonn Kymmell en zijn tante Gesina Oldenhuis, de weduwe van Coenraad Wolter Ellents. De broers, geboren op het huis Overcinge te Havelte, waren kinderen van Jan Kymmell (1741 - 1775) en Johanne Oldenhuis (1724 - 1764). Na de dood van hun ouders hadden hun oom Coenraad en tante Gesina, wonende op huise Mensinge te Roden, de voogdij op zich genomen. Na de dood van haar man in 1784 gaf Gesina haar neven volmacht tot het regelen van haar zaken. Jan Willmsonn Kymmell ging waarschijnlijk direct bij zijn tante wonen op Huize Mensinge, dat hij in 1818 van haar zou erven. Lucas Oldenhuis Kymmell woonde vermoedelijk al in 1780 op het Kymmellswijk nabij de Veenhoopsbrug. Hij bezat het samen met zijn oom en erfde het na diens dood. In 1785 werd Lucas Oldenhuis Kymmel benoemd tot administrateur van de vaart en venen. Voorts was hij Gedeputeerde van Drenthe.
De nauwe persoonlijke en zakelijke band tussen tante Gesina en haar beide neven komt ook bij het beheer van de zaagmolen duidelijk naar voren. Zo blijkt uit de eerste afrekening op 15 juni 1786 dat ze een "compagnieschap" had aangegaan, waarbij elk eenderde deel bezat. Ook de door Lucas Oldenhuis Kymmell geleende gelden namen zij voor gezamelijke rekening. De eerste afrekening liep over de periode 1781 tot 1 mei 1786 en toonde een negatief resultaat van 20.091 gulden, 3 stuivers en 7 duiten. Hierin waren inbegrepen de geleende kapitalen van 4000 gulden van Dulleman te Meppel, 1000 gulden van "de Hr. Drost"
(S.P.A. van Heiden Reinestein), 3000 gulden van de weduwe Pak te Amsterdam en 5000 gulden van Maris Mulder. De inkomsten waren opgetekend in "het boek van gort" (het product van de pelmolen). De inkomsten van de gort lopen snel terug, de opbrengst van het hout lijkt beter. In de uitgaven van de eerste afrekening was een post inbegrepen van
f 2476-12-0 uitbetaald aan de knechten; later is dit niet meer apart vermeld. Voor het bedienen van de molen kreeg Lucas Oldenhuis Kymmell over de eerste vijf jaar in totaal 300 gulden uitgekeerd. Hoewel de molen in 1788 werd verkocht, deed Lucas Oldenhuis Kymmell nog tot 27 augustus 1803 uitkeringen aan zijn familieleden.In 1788 kochten Lambert Kniphorst en Cons. te Meppel de zaagmolen. Over de koopprijs "onder kortinge van de gereetschappen" van f 10.148-13-0 moest de 40e penning worden betaald ten bedrage van f 253-14-0. De totale koopsom van de 'zaagmole, toebehorende behuisingen, ende moolengereetschappen" bedroeg 11.000 gulden.
In 1818 verkocht Kniphorst de Asser zaagmolen met toebehoren voor 14.250 gulden aan mr. Coenraad Wolter Ellents Hofstede, lid van Gedeputeerde Staten te Assen en Aalt Eillem van Holthe, arrondisements ontvanger te Dwingeloo. Op 23 oktober was een memorie van lasten, clausulen en voorwaarden gedeponeerd bij notaris Mr. M. Schukking te Assen en op 9 november vond deze veiling plaats ten huize van kastelein B.J. Zuidema te Assen.
Bron: Jan Eefting, stellingnieuws nr. 36, mei 1998 jnjv.