bouwjaar
herbouwd
verdwenen
1852 deels gesloopt, 1890 gesloopt
geschiedenis

In 1724 is er voor het eerst sprake van de molen, het kan ook zijn dat de molen ouder is.
De molen was eigendom van koopman Anthonij van Asperen, die ook in het bezit was van oliemolen De Lelie.

1809 De molen brandde  gedeeltelijk af.
De eigenaar Cornelis Melchior van Nievervaart verkocht de restanten aan Jan van Nievervaart voor fl 2.120,00.

In mei 1852 werd de molen gedeeltelijk afgebroken en weer herbouwd en ingericht als stoomoliemolen.

In 1899 werd de NV Stoomolieslagerij De Arend v/h Van Nievervaart, Heijtink en Co. opgericht.
Bron; Draaiende wieken, stappende paarden - Molens op het Eiland van Dordrecht, C.J.P. Grol en J. Zondervan-Van Heck, Jaarboek 2008 Historische Vereniging Oud-Dordrecht

De olieslagers waren in die tijd allemaal aangesloten bij een confrérie van olieslagers, een soort gilde/broederschap. 
Naar onderzoek van Pim van der Wijk, 3 maart 2016

trivia

Geheugensteuntje
Met behulp van dit vers konden de Dordtenaren de namen van de vele molens aan de 's-Gravendeelsedijk onthouden.

Het Klaverblad, dat maalt zo snel, 
De Karnton, die weet het wel ((Waker) 
Het Seimpje met zijn kloek verstand, 
dat maalt zijn zaadjes kort en kant (De Zwarte Arend) 
De Lelie is een mooie blom, 
De Waker lacht daar echter om (De Wakende Kraan) 
De Reiger staat nogal in het riet, 
Waar De Kat zeer fel op ziet 
De Oude Ruiter ruitert snel, 
De Haan die kraait des morgens wel 
De Uil staat reeds voor de ploeg (De Valk) 
Als De Sprokkelaar zijn dingen doet (Het Anker) 
De Wever weeft zijn garen fijn (De Willem I) 
De Zeelt die wil gevangen zijn 
De Bakker bakt zijn brood te licht (De Hoop) 
De Poortklok heeft dit lied gedicht (De Karper) 

Dit molenrijmpje betreft alle 16 oliemolens van het eiland Dordrecht. Het moet ongeveer tussen 1802 en 1832 gemaakt zijn.